Een spijkerharde aanleiding voor haptonomie

Notities over ‘De meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman

Leestijd ruim 10 minuten

Rutger Bregman presenteert met zijn analyse in ‘De meeste mensen deugen’ een spijkerharde maatschappelijke grondslag voor haptonomie nu en in de toekomst. In zijn nieuwe realisme, dat eigenlijk al realiteit had kunnen zijn, durven we te voelen, te leven en te weten door het kiezen voor contact met onszelf en anderen. Dat de meeste mensen deugen was een uitspraak in 2012 van de toenmalige Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer. Het boek van Bregman voorziet die uitspraak van een argumentatie dat elk ander werk overbodig kan maken.

Door Leander Tijdhof

Het gevecht tegen het gemankeerde mensbeeld

‘De meeste mensen deugen’ rekent af met het oude mensbeeld dat we bestaan uit een dun laagje vernis van beschaving terwijl zich daaronder een barbaarse mens zou bevinden. Dit oude mensbeeld werd eerder verwoord door socioloog en psycholoog Gustave Le Bon. Dat simpelweg de meeste mensen deugen blijkt juist uit het feit dat dit fenomeen nauwelijks opvalt. Dat de meeste mensen deugen sluit namelijk aan bij de menselijke natuur, betoogt auteur en historicus Rutger Bregman in zijn boek meeslepend en enthousiast.

Dat het enthousiasme van Bregman fundament heeft in realisme blijkt wel uit het feit dat bij noodgevallen steeds het beste in mensen naar boven komt. We schieten betrekkelijk snel in de positieve actie, zo blijkt uit honderden studies sinds de jaren zestig van de vorige eeuw. Het beeld in de media is vaak omgekeerd aan wat er in noodgevallen werkelijk met mensen gebeurt. Van Bregman is dit geen sneer naar de media op zich. Met zijn meeslepende boek laat de briljante schrijver immers een alternatief voor de journalistieke werkwijze zien.

Bewust of onbewust maken de media gebruik van een nocebo-effect. Naar het negatieve verwachtingseffect is nog maar beperkt onderzoek verricht maar leert wel dat wat tussen de oren komt levensecht kan worden. We voorspellen dan wat er gebeuren zal. Het negatieve mensbeeld dat nog altijd hoogtij viert, zo betoogt de auteur, is een nocebo. Want als we geloven dat de meeste mensen niet deugen dan gaan we elkaar met met die kennis op die manier behandelen en houdt zo’n systeem zich in stand.

Vandaar dat Bregman in ‘De meeste mensen deugen’ een nieuw realisme ten tonele voert. Het gemankeerde mensbeeld is immers aan een herziening toe. Daarin kan idealisme niet meer worden versleten als naïef. Wat misschien nu nog onrealistisch is kan later de normaalste zaak van de wereld zijn. Het werk van Rutger Bregman is voor die nieuwe gewoonte wellicht het eerste maar wel tastbare bewijs omdat er behalve sluitende teksten een enorme hoeveelheid bronnen opgevoerd wordt.

De noodzaak van nieuw realisme

Zo’n diepgaande verantwoording voor zijn werk heeft de auteur wellicht niet eens nodig. En dat komt omdat mensen maar heel matig kunnen liegen. We zijn geneigd om elkaar snel te vertrouwen. Vertrouwen schept immers de mogelijkheid voor professionele oplichters om hun werk goed te kunnen doen. Uit archeologisch onderzoek naar schedels van mensen blijkt dat gedurende de evolutie ons lichaam zachter, jeugdiger en vrouwelijker is geworden. In vergelijking met vroeger is ons brein tien procent gekrompen en zijn tanden en kaakbotten het best te betitelen als kinderlijk. Daarop stelt Rutger Bregman dat de Homo puppy is geboren.

De schets naar een nieuw realisme is nodig omdat de wetenschappen van vandaag de dag in toenemende mate korte metten maken met het foutieve idee dat beschaving enkel bestaat uit een dun laagje vernis. Zouden we nog kunnen denken dat bewoners van Paaseiland hun eigen beschaving hebben vernietigd; uit recent onderzoek blijkt dat ernstige gewelddadigheden nooit hebben plaatsgehad. Een foute mop, zo is het toch, die Bregman miraculeus in woorden vangt.

Het dunne laagje vernis dat vandaag de dag beschaving heet, en nieuw realisme moeilijker maakt dan nodig, komt voort uit de filosofie van Thomas Hobbes. De filosoof dacht dat de mens ten diepste slecht is waarbij beschaving het redt van het dierlijke instinct. Aan de basis van veel geschillen in de samenleving staat zijn conflict met het gedachtegoed van filosoof Jean-Jacques Rousseau. Rousseau stond juist het idee voor dat beschaving de mens verpest. Ons wereldbeeld van vandaag de dag is op deze tweedeling gebaseerd, betoogt Rutger Bregman overtuigend. Terwijl onze economie gegrondvest is op gedachten van Hobbes is bijvoorbeeld de pedagogiek gegrondvest op die van Rousseau.

De spijkerharde aanleiding voor haptonomie

Ook al is er een dun laagje vernis van beschaving of niet: we tonen onze emoties als geen andere diersoort. We kunnen bijvoorbeeld blozen. Nader beschouwd zijn mensen ‘hypersociale’ leermachines. De mens is zo geëvolueerd dat we uit de stand van onze ogen kunnen aflezen en aan de stand van de wenkbrauwen kunnen zien wat er omgaat in een ander. Daarmee zijn we niet alleen maar gezellig maar volgens Bregman eerder slimmer dan andere wezens. Misschien dat we gemeten aan de herseninhoud dommer zijn dan onze voorlopers de Neanderthalers maar zij hebben een kleiner collectief brein gehad. Misschien zijn we dommer maar welzeker beter verbonden met elkaar. Samenwerking is vanuit onze evolutie bezien belangrijker geworden dan strijd en concurrentie. In die spijkerharde constatering van Rutger Bregman ligt een harde, maatschappelijke grondslag voor de haptonomie.

Toch is de mens beperkt. We mogen dan wel samen willen werken maar we voelen ons daarbij slechts aangetrokken tot diegenen die het meest op ons lijken. Het ‘knuffelhormoon’ oxytocine beperkt zich tot de eigen groep, zo haalt Bregman een onderzoek aan van de Universiteit van Amsterdam. Daardoor keren we ons primair af van vreemden terwijl we toch heel moeilijk in staat blijken om te moorden of oorlogen te voeren tegen mensen die verder van ons weg staan. Daarmee zit oorlog niet in de menselijke natuur. En dit blijkt ook wel, schrijft Rutger Bregman, want er is nooit archeologisch bewijs gevonden van oorlogen in de oertijd.

De ernstige beperking van empathie

Eerder zijn we empathisch met elkaar. Dit lijkt wel leuk maar empathisch zijn we alleen met mensen die dichtbij ons staan. En dus is empathie hopeloos beperkt. Waar het empathische vermogen voor ons misleidend is door een noodzakelijke verbijzondering van de enkeling, zo worden we ook misleid door het dagelijkse nieuws met alle aandacht voor de uitzondering op de regel. Vertrouwen op empathie houdt in dat het perspectief van een vermeende vijand ontbreekt. Empathie en xenofobie zijn door gebrek aan nieuw perspectief kanten van dezelfde medaille. Het is trouwens macht die empathie verstoort. Zo hebben machtige mensen de neiging om zich te gaan gedragen als patiënten met een vorm van hersenletsel dat onder de naam ‘acquired sociopathy’ bekendstaat. We blijken moreel slecht van macht te worden en zo zijn al in de prehistorie schaamte en groepsdruk ontstaan waarmee al te grote conflicten konden uitblijven.

9200000105939293

Het einde van het primaat van het voelen

Overigens zijn conflicten tussen mensen in de geschiedenis vooral ontstaan toen we de nomadische levensstijl achter ons lieten. Vanaf het moment dat mensen zich meer op één plaats vestigden ontstonden bijvoorbeeld besmettelijke ziekten. Daardoor zijn mensen zich het waarom van ziekten gaan afvragen met alle gevolgen van dien voor het wereldbeeld van de mens. In de nieuwe levensstijl op één plek werd landbouw geïntensiveerd omdat er steeds meer monden moesten worden gevoed. Die vorm van werken is ervoor gaan zorgen dat we niet meer terug zijn gekeerd naar de nomadische levensstijl.

Bovendien maakte de periode van de Verlichting een einde aan het primaat van het voelen. De kracht van het verstand werd in de westerse samenleving vanaf die tijd scherp beklemtoond. Om te kunnen omgaan met egoïstisch gedrag werd vertrouwd op een rationale omgang daarmee. Er werd domweg geloofd dat we duistere instincten konden inzetten voor de goede zaak. Feitelijk betekende dit dat egoïsme niet bestreden maar juist ontketend werd. Onze samenleving is nog steeds op het gedachtegoed van de Verlichting gegrondvest. Zo vertrouwt onze Vrouwe Justitia slechts op de rede; ze heeft geen empathie en een blinddoek voor, stelt Bregman vast.

Een geloof in duistere krachten die voor een goede danwel slechte zaak konden worden ingezet brengt ons in een vogelvlucht in de jaren vijftig van de vorige eeuw bij de opkomst van de sociale psychologie. Experimenten vierden hoogtij rond de vraag hoe het komt dat mensen in sociale monsters kunnen veranderen. Het Robbers Cave Experiment, Stanford Prison Experiment en de evenzo beroemde schokmachine zijn experimenten geweest waarvan over de resultaten nog altijd wordt onderwezen. Maar de onderzoeken goed beschouwd zijn ze geheel tegengesteld aan de conclusies die werden – en nog steeds vaak worden – gepresenteerd.

Bregman benoemt ook het werk van filosofe Hannah Arendt en vooral haar stelling van de ‘banaliteit van het kwaad’. In die stelling zou ieder van ons een bureaumoordenaar kunnen worden zoals Adolf Eichmann is geweest. De filosofe heeft nooit geschreven dat Eichmann slechts bevelen had opgevolgd en ze heeft nooit gezegd dat hij een gedachteloze bureaumoordenaar was. Wat zij bedoelde, concludeert Rutger Bregman, is dat het Eichmann door zijn conformisme ontbrak aan het vermogen om zich te verplaatsen in andere perspectieven. In haar werk is Arendt er altijd vanuit gegaan dat de meeste mensen deugen.

Pluralistische onwetendheid van het negatieve mensbeeld

Homo puppy kan zich verplaatsen in anderen en beschikt dus over een soort antenne waarmee kan worden afgestemd op anderen. We zijn door en door spiegelende wezens want een blik op een koorddanser kunnen we in onze maag voelen. Onze mensensoort heeft het er moeilijk mee om tegen de groep in te gaan en is in staat ernstige ellende te accepteren boven schaamte en ongemak. Dit roept bij wetenschapper Rutger Bregman terecht de vraag op of een negatief mensbeeld een gevolg is van pluralistische onwetendheid. Feitelijk en meeslepend werkt de historicus – en met dit boek inmiddels filosoof – het gegeven van de pluralistische onwetendheid in zijn boek uit.

Alleen al omdat de laatste jaren allerlei diagnoses van gedragsstoornissen toenemen is een nieuw realisme broodnodig. In het hedendaagse realisme immers wordt onze kinderen geen tijd meer gegund met elkaar te spelen om daarvan te kunnen leren. Onderwijs is een systeem, zoals Bregman constateert, waarin studenten en leerlingen iets ondergaan. De wetten van de prestatiemaatschappij worden in een zogenaamde realistische maatschappij keihard ingeprent. Vermeend succes hangt daarin af van het salaris en het curriculum vitae. Vanuit intrinsieke motivatie spelen leidt nooit tot depressiviteit. Maar velen in onze realiteit zijn depressief. Spelen is daarmee het tegenovergestelde van depressie.

Uit onze geschiedenis blijkt steeds dat we coöperatieve wezens zijn. Telkens na perioden van versnelde marktwerking en privatisering volgen in onze maatschappij intensieve vormen van samenwerking. Waren het eerder gilden en waterschappen, later ontstonden verenigingen en coöperaties om na de financiële crisis van 2008 een explosie van het aantal zorg- en energiecoöperaties te zien.

Niet-complementair gedrag en contact zijn sleutelwoorden

Van oorsprong historicus Rutger Bregman ziet het vertonen van niet-complementair gedrag als een mogelijkheid naar een maatschappij met meer medemenselijkheid. Zo kunnen we gaan zien dat de meeste mensen deugen. Toen Anders Breivik een bloedbad aanrichtte op het eilandje Utøya stelde de premier van Noorwegen dat de aanslag beantwoordt zou worden met meer democratie, openheid en medemenselijkheid. Wraak nemen of nieuwe strenge wetten invoeren zouden een vorm van wegkijken zijn. Op weg naar een maatschappij met medemenselijkheid en niet-complementair gedrag als van de nar is contact een sleutelwoord. Eenmaal bekend maakt bemind waarbij gedragswetenschappers aantekenen dat het even duurt voor contact werkt. Als iets van voorbij ons eigen narrendom lijkt het. Ieder zijn tijd, zo weten we ook maar al te goed in de haptonomische benaderingen.

We hebben ons lange tijd voorgelogen met een fout beeld over onszelf. Dit beeld wordt met ‘De meeste mensen deugen’ vanuit wetenschappen zoals archeologie, geschiedenis en psychologie hard onderuit gehaald. We zijn nu nog totaal onrealistisch – al denken we van niet. Een werkelijk realistisch beeld van onszelf heeft gevolgen voor de manier van omgang met elkaar zoals bij twijfel uitgaan van het goede, denken in win-win-situaties, kritisch bevragen en het trainen van compassie. Waar ‘kies voor realisme’ of ‘kies voor nieuw realisme’ een oproep kan zijn die uit ‘De meeste mensen deugen’ volgt kies ik voor: ‘mens durf te voelen, te weten, contact te maken, kortom: durf te leven’.

Literatuur

Rutger Bregman, ‘De meeste mensen deugen – een nieuwe geschiedenis van de mens’, de Correspondent, Amsterdam, 2019

Annotatie

Drs. Leander P. Tijdhof, ‘De spijkerharde aanleiding voor haptonomie‘, https://haptonomiehaptotherapie.com/2019/10/22/een-spijkerharde-aanleiding-voor-haptonomie/, Kennisweb haptonomie, Stichting Kenniscentrum Haptonomie Hapsis Utrecht (22 oktober 2019)